logo

logo

logo

logo

Zomerpreken: Bijbelse herkansing

Noach: over een wereldwijde herschepping (Genesis 9)

17 juli   Ontmoetingskerk 10.00 uur – ds. Hans Wachtmeester

Gemeente van onze Heer Jezus Christus.

Aan de hemel verschijnt de regenboog.
Een boog waarvan de kleuren zo intens kunnen zijn, dat mensen er ook in onze dagen nog met verwondering naar kijken.
Wat een prachtig schouwspel van kleuren!
Natuurlijk is dit schouwspel te verklaren volgens de natuurwetten.
Maar voor wie vertrouwd is met de verhalen in de bijbel ziet veel meer dan alleen een breking van het licht in de wolken.
Die ziet daarachter de belofte van God aan Noach, zijn vrouw en hun zonen en schoondochters en alle levende wezens.
Die ziet daarachter ook hoe de aarde en alles wat daarop leefde onderging in de zondvloed.
Een totale vernietiging.
Mensen zoals u en ik, die hun dagelijks werk doen en een bestaan opbouwen.
Die hun kinderen opvoeden, die genieten van hun kleinkinderen.
Kinderen die opgroeien en buiten spelen.
Mensen met verwachtingen.
Mensen die wat van hun toekomst proberen te maken.
Mensen ook met zorgen over hoe het er aan toe gaat in de wereld.
In hun wereld.
Mensen van wie het leven in het teken staat van ziek-zijn en van afscheid nemen.
Mensen met verdriet om het verlies van geliefden.
En ja, ook mensen die met geweld anderen onderwerpen.
Mensen die uit zijn op vernietiging en op macht voor zichzelf.
 

Er is niet zoveel verbeeldingskracht voor nodig om je een wereld voor te stellen waarin je je leven leidt en waarin je je ook zorgen maakt over wat er gaande is.
Een wereld misschien waarin je angst hebt voor je kinderen en kleinkinderen.
Om geweld dat dichter bij komt.
En tegelijk een wereld waarin velen op de vlucht slaan, in de hoop dat ze ergens opgevangen worden waar anderen zich hun lot aantrekken.
Miljoenen zijn op de vlucht voor geweld.
De beelden daarvan zien we regelmatig op de televisie en we horen de aantallen van hen die het niet redden, die verdrinken in de vloed zonder uitzicht op redding.
Degenen die het wel redden hopen, net als Noach, een nieuw bestaan op te kunnen bouwen aan de andere kant van de zee, in een ander land.
Hoewel ze daar lang niet altijd welkom zijn.
Dat is wel bizar, als je bedenkt dat de beelden van het geweld ons met afschuw vervullen terwijl de mensen die voor datzelfde geweld op de vlucht slaan niet welkom zijn.
Ook in ons land worstelen we met die vragen van opvang, van huisvesting, van een nieuw bestaan en werk.
Nu hier, dan daar laaien discussies op over de opvang van vluchtelingen.
Die voor het gemak maar asielzoekers genoemd worden, dan is het net of het geen mensen zijn zoals wij, maar wezens van ver weg.
Vrouwen, mannen, kinderen.
Met evenzovele ogen die ons aankijken, ons in de ogen proberen te kijken.
 

De wereld nu en de wereld in de dagen van Noach verschillen niet zoveel van elkaar.
Toen kwam er een zondvloed, nu zou je soms willen dat er een kwam.
Nee, niet een zondvloed waarmee alles wat leeft wordt weggevaagd.
Maar wel een waarmee alle kwaad wordt uitgeroeid.
Alle tanks en wapentuig.
Alle zwaarden en geschut.
Alle bommen en raketten.
Een zondvloed waarmee een einde wordt gemaakt aan het moorden.
Deze week eerst in Frankrijk, een dag later in Turkije.
Grotere en kleinere brandhaarden, waarmee mensen onrecht wordt gedaan, in een hoek worden gedrukt, bestolen en beschimpt, afhankelijk gemaakt van verslavende middelen.
 

Langzamerhand wordt iedereen het zat.
Angst voor de ander slaat om in haat tegen de ander.
Je hoort het op verjaardagen.
Je leest het op Facebook.
Nee, niemand misgunt een ander het leven.
Maar ze hoeven toch niet allemaal hier te komen?
Ze profiteren van ons.
Ze krijgen huizen die voor ons bestemd zijn.
En nog ingericht ook met een uitkering in het handje.
Het moet anders zeggen de plegers van aanslagen.
Het moet anders zeggen de militairen in Turkije.
Het moet anders hoor ik overal zeggen.
Maar iedereen bedoelt het ook weer anders.
Wie maakt een einde aan al dat geweld?
Mogen we dan van God verwachten?
Dat hij het anders maakt?
Zoals hij eens die vloed deed opkomen en een nieuw begin mogelijk maakte voor Noach en zijn familie en voor al wat op aarde leeft?
Veel mensen hebben wel gehoopt dat God zou ingrijpen.
Veel mensen hopen dat misschien nog steeds.
 

Ja, de wereld moet anders worden, maar dat gaat niet met een machtswoord.
Het verlangen naar vrede in alle opzichten is een terecht verlangen maar dat kan geen opgelegde vrede zijn.
Maar wat dan?
Hoe dan?
De boodschap in de bijbel is tegelijk eenvoudig en ingewikkeld.
Eenvoudig omdat het zo voor de hand liggend is.
Ingewikkeld omdat die andere macht, de macht van het kwaad, ook telkens aanwezig is.
Na de zondvloed krijgt Noach een teken dat voor alle mensen, voor alle tijden en voor alle plaatsen zichtbaar zal zijn.
Ook als het weer helemaal uit de hand loopt en de wereld er na de zondvloed precies zo uitziet als ervoor.
Aan de hemel verschijnt een regenboog.
 

Laat je niet weerhouden om goed te doen.
Laat je niet uit het veld slaan door al die oorlogen en al dat geweld.
Door stromen vluchtelingen.
Door hongerende mensen.
Door moord en doodslag.
Ons antwoord is niet een antwoord van een machthebber.
Ons antwoord is niet een antwoord dat ingegeven wordt door angst.
Ons antwoord is een antwoord dat vol is van hoop.
Kijk naar de regenboog.
Het kwaad zal de wereld niet opnieuw zo in de greep krijgen dat alles wordt weggevaagd.
Het kwaad zal niet verdwijnen door je vuisten te ballen en met grote woorden oplossingen aan te dragen die geen oplossingen zijn.
Open je handen en zie wat daarin is gelegd.
Woorden van wijsheid, in de Tien Woorden.
Woorden van troost.
Woorden van moed en van kracht.
Woorden die je doen omkeren.
Niet denken in termen van angst en geweld, maar denken in termen van vrede en van toekomst.
Toekomst voor jou, toekomst voor mensen op de vlucht.
De wereld zal niet veranderen, maar het goede nieuws ook niet.
Het koninkrijk van God, zegt Jezus in het evangelie, is nabij.
Het is voor het grijpen.
Het ligt in je geopende handen.
En als het teken van de regenboog je niet genoeg is, dan staat er nog een teken in deze wereld.
Ook in de dagen na Noach en ook in de dagen van Jezus en in de eeuwen daarna was dat teken voor mensen niet genoeg om het vol te kunnen houden.
 

Er staat nog een ander teken.
Het teken van het kruis.
Zo gek kan het in onze wereld niet worden, of God trekt het zich aan.
Een vloed zal er niet weer komen heeft hij beloofd.
Zijn antwoord op het kwaad is in het vervolg een antwoord van liefde.
Jezus, Zoon van God, droeg het kwaad, ging er aan ten onder.
Maar liefde is sterk als de dood.
Dat is de basis voor een wereldwijde herschepping.
Als die vraag komt: waarom doet God er niets aan?
Als die vraag komt: wat moeten we met al die aanslagen?
Wat moeten we met al die mensen die een beroep op ons doen?
Wat moeten we met de angst die ons om het hart slaat?
Dan is er maar één antwoord dat ons echt verder helpt: Jezus is opgestaan uit de dood.
De macht van de liefde is de macht die overwint.
Er is maar één antwoord dat ons verder helpt: vertrouw op God die je leven heeft gegeven.
Laat je de liefde niet afpakken door angst en haat, door wat de ene mens de ander aan doet.
Kijk naar de boog in de wolken en weet: de glans van de schepping zal niet vervagen.

Amen.

Amos' donderpreek: verzet en opstaan (Amos 9)

24 juli   Ontmoetingskerk 10.00 uur – ds. Herman Koetsveld

6x samen zomervieren met 6 maal Bijbelse herkansing. Dat hadden wij als werkteam bedacht ergens begin juni voor deze serie zomerdiensten. We verzinnen elk jaar een soort van rode draad voor deze diensten vanuit het idee dat dat aardig is. En dit thema van herkansing dan wel opnieuw beginnen vonden we al helemaal aardig omdat wij als Hengelose protestantse kerk immers ook in een fase verkeren van goed nadenken hoe we met elkaar opnieuw zouden willen beginnen. En wat te denken van de verhoudingen in onze samenleving, in Europa, in de wereld? Ja, er is veel dat smeekt om een nieuw begin.

 

Afijn, zo’n rode draad bedenken met bijbehorende teksten, daar moet u zich geen al te grootse voorstellingen van maken. Dat gaat tamelijk rap en ook tamelijk intuïtief. En zo was er de inval: die kleine profeten, die hebben het er ook nogal eens in stevige bewoordingen over wat een mens of een volk kan overkomen en dat er dan na allerlei crisisachtige toestanden een nieuw begin gemaakt kan worden. En zo gedacht: hup, Amos in dat rijtje. Mocht er het idee zijn geweest dat er ook nog enige zomerse lichtvoetigheid aan te pas zou kunnen komen, dan hebben we ons met deze keuze schromelijk vergist. Op het postertje van de zomerdiensten had ik al wel genoteerd: Amos’ donderpreek. Maar dat deed ik vooral omdat ik het woord donderpreek zo’n lekker woord vind.

 

Ter voorbereiding las ik zijn hele profetie maar even door. Met als resultaat dat ik mij na lezing platgeslagen voelde door de heftigheid van zijn snoeiharde woorden en bij wijze van spreken geestelijk naar adem zat te happen. ‘Dit heeft God de Ene mij laten zien: Ik zag hoe God, de Ene bevel gaf om het land met vuur te straffen’. (…) ‘Sla op het kapiteel, laat de drempels dreunen. Sla de stenen stuk op de hoofden; wie er dan nog overblijven, zal ik zelf doden met het zwaard. Niemand die vlucht zal ontsnappen, niemand die ontsnapt zal ontkomen’.

 

Dat zag die Amos dan kennelijk voor zich in zijn tijd (en dan praten we over de 8e eeuw voor Christus als het met name in het noordelijk deel van Israël in allerlei opzicht slecht gaat: politiek, economisch, maar vooral ook qua moraal: het recht wordt met voeten getreden, vooral in de kringen van de elite)…en ziet Amos voor zich hoe God zich woedend, maar dan ook echt heel erg woedend tegen zijn eigen volk keert. ‘God gaat ruiger met ons om dan ons lief is’ zei de theoloog Harry Kuitert ooit eens, maar hier wordt God voorgesteld als de initiatiefnemer van complete uitroeiing op termijn van het volk.

 

En dan zit ik natuurlijk onmiddellijk te prakkiseren: a. wat moet ik hiermee? En b. Hoe verhoudt zich het beeld van zo’n woedende en ook gewelddadige God zich ten opzichte van de crises van dit moment? Wat hiervan te zeggen? Hoe heel die woeste praat naar hier en nu te vertalen? Omdat het zomer is en het dan altijd leuk is om een kaartje of een briefje te sturen en te ontvangen, leek het me een goed plan om Amos zelf een briefje te sturen en het hem voor te leggen. In een preek kan alles en een beetje geloofsverbeelding doet wonderen.

 

Hengelo, juli 2016

 

Beste Amos,

Namens de Protestantse Gemeente te Hengelo stuur ik u een briefje. Want we hebben nogal wat vragen over uw schrijfsels van ooit. Ze staan in het Nederlands vertaald in onze Bijbel. Dat had u vast niet gedacht toen u die woorden uitsprak en opschreef. Vooropgesteld dat we uw inzet voor een rechtvaardige samenleving zeer kunnen waarderen, hebben we toch nogal moeite met wat u de Allerhoogste in de mond legt en in de schoenen schuift.

Onze vragen kortweg op een rijtje:

a. Hoe komt u eigenlijk aan uw informatie? U citeert God telkens letterlijk alsof Hij het u persoonlijk ingefluisterd of gedicteerd heeft. Graag enige opheldering.

b. U ziet in alle bewegingen van uw tijd de hand van God. Bent u van mening dat dat nog steeds zo is? Anders gezegd: heeft God ook in alle crisismomenten van onze tijd de hand? (We hebben er nogal wat van momenteel: onbegrijpelijke terreur gepleegd in uw naam. Maar niet alleen de terreur, wat te denken aan de vluchtelingenstromen die nog nooit zo groot zijn geweest en zo veel meer). Is de Eeuwige daar op een of andere manier bij betrokken? En zo ja, hoe dan? En zo niet: waarom in uw tijd volop en nu niet meer? Graag uw visie.

c. We bedoelen dit niet onaardig, maar waarom zouden we eigenlijk naar u moeten luisteren? Uw teksten doen ons denken aan hele enge groepen in onze tijd. Geweld in Gods naam: we worden er niet blij van – als u begrijpt wat wij bedoelen.

Graag horen we van u en op voorhand zijn we u buitengewoon dankbaar als u de moeite neemt ons te willen antwoorden.

Met een hartelijke groet, namens de Protestantse Gemeente Hengelo, Herman Koetsveld

 

Wat ik net zei – in een preek kan alles en op mijn beeldscherm verscheen dit antwoord van Amos:

 

Beste gelovigen, ongelovigen, zoekers, twijfelaars en tobbers van Hengelo,

 

Wat een voorrecht en eer dat jullie mijn woorden van ooit nog steeds lezen, ze overdenken, ze laten klinken in jullie eigen context en tijd. Als ik jullie vragen proef dan begrijp ik dat er nogal wat haren overeind gaan staan als jullie mijn profetieën lezen. Allereerst: da’s mooi. Alles beter dan dat het niks met jullie doet. Een schurend woord schuurt in elk geval. En als er iets schuurt dan komt er iets onder de oppervlakte te voorschijn. Een nietszeggend woord zegt niets. Dat is een open deur, maar ik vraag dus jullie waardering op voorhand voor teksten die te denken geven.

 

Ik zal jullie vragen zo eerlijk en kort mogelijk beantwoorden.

Vraag a.: hoe ik aan mijn informatie kom. Nou dat is op precies dezelfde manier als hoe het jullie zelf gaat. Doe je ogen open. Doe je oren open. Doe ja hart open. En dan zie je wat ten hemel schreit. Dan zie waar het mis gaat. Dan hoor je de roep om eerlijke verdeling en eerlijke handel. Dan voel hoe telkens weer mensen zich laten misleiden door de macht en de loze beloften van geld en goed. Er is wat dat betreft helemaal niets nieuws onder de zon. Alleen de stap die ik gemaakt heb – moest maken – was om dat wat ik zag, hoorde en voelde te verwoorden. Noem het een innerlijke stem die me er toe dreef. Zelf zou ik het nooit durven, ik ben van huis uit een eenvoudige schapenfokker, maar ik geloof dat God mij deze opdracht heeft gegeven: te spreken in zijn naam. Soms denk ik ook: klopt het wel wat ik zeg? Is het wel waar? Ik heb ook zo mijn twijfels. Maar dan krijg ik weer in een visioen dingen te zien die een op een te maken hebben met de corrupte zooi van onze samenleving, tja en dan kan ik niet anders. Dan moet ik daarover spreken. En ja, dat schrijf ik aan de Ene toe. Daar vertrouw ik dan maar op.

 

En dan jullie tweede vraag: of God nog steeds betrokken is in alles wat er gebeurt? Ja, wat denken jullie dan? Het is alles of niets vrienden. God is betrokken bij alles, natuurlijk, want wat is het alternatief? Niks? Iets vaags tussen hemel en aarde waar je geen bal aan hebt? Ik snap wel waarom jullie hier een probleem van zijn gaan maken. Jullie hebben van God gaandeweg een soort opperwezen gemaakt, een hemelse mega-regisseur die aan alle touwtjes trekt. Die een laatje ellende leegkiepert naar believen en een laatje voorspoed als beloning voor goed gedrag. En dat gecombineerd met mensen als marionetten. Een God die alles van tevoren weet, en dat onze geschiedenis zich ontrolt zoals Hij bedacht heeft voordat er ook maar iets bestond.

 

Maar zo ken ik de Ene niet. De Ene geeft ons zijn Torah, zijn woorden ten leven. En Hij zegt: kies. Kies voor het leven. Hij laat ons vrij. Wij zijn zoals Hij is. Wij lijken als twee druppels water op de Ene. Wij kunnen scheppen en we kunnen vernietigen. Wij kunnen tot ontroering brengen en wij kunnen haat zaaien. Wij kunnen eerlijk delen en we kunnen graaien voor onszelf. Wij kunnen verantwoord beheren en we kunnen vergiftigen en uitbuiten. Kies het leven, zegt God. En wat deden tallozen in mijn tijd, want doen tallozen in jullie tijd? Precies: kiezen voor het onrecht, de oneerlijkheid, de haat, de eigendunk, de macht, noem maar op.

 

Vind je het dan gek dat de Eeuwige – hoe zal ik het zeggen? – des duivels is? Want de Ene is helemaal niet zo’n onbewogen opperwezen die alles in de hand heeft. Waar halen jullie dat idee toch vandaan? Ook God wordt bij tijd en wijle overrompeld door de menselijke waanzin. En daar moet de Eeuwige iets mee, maar wat? Ja, en dan kiest de Ene er soms voor om de mensen keihard te confronteren met de gevolgen van hun eigen keuzen: leunen op enkel de macht, roept tegenmacht. Onrechtvaardige verhoudingen in de samenleving roept geweld op. Zelfverrijking verkruimelt de basis onder het samenleven. Eigen volk eerst verwoest de morele verbondenheid. Wie de woorden van de Torah, van het leven, van de rechtvaardigheid niet horen wil, zal hoe dan ook het tegendeel gaan voelen. Met andere woorden: in, onder, door de crisis voltrekt zich het oordeel van God. Mooier kan ik het niet maken. En gemakkelijker al helemaal niet. Voor alle helderheid: dat is dus nu niet anders dan toen en ooit. En morgen en de volgende eeuw.

 

Tja, en dan die laatste vraag. Over geweld en God. Ik snap jullie associatie met wat jullie ‘hele enge groepen’ noemen. Maar lees mijn woorden goed. Ik schrijf over Gods woede over de keuzes van onrechtvaardigheid, oneerlijkheid, foute handel, machtsdenken. Maar altijd is dat allereerst het gevolg van de keuzes van mensen zelf. De verantwoordelijkheid voor ons leven en het samenleven ligt bij ons zelf. En ook de gevolgen dus als we er een zootje van maken. God maakt er geen zootje van. Mensen doen dat.

 

Maar ik hoop dat jullie mijn laatste woorden ook gelezen en innerlijk verstaan hebben. Dat de bende die mensen er zo vaak van maken niet de laatste afslag richting doodlopend is. Maar dat er altijd een rest is, een kleine groep, een paar mensen soms, soms zelfs één mens met wie, in wie de Geest van de Eeuwige een nieuw begin maakt.

 

Kijk even terug in jullie geschiedenis, kijk goed om jullie heen in jullie eigen tijd, in je eigen land, stad, buurt, geloofsgemeenschap, ja, tot in je eigen persoonlijke leven aan toe, en zie dat er telkens weer mensen opstaan, creatief worden, met de moed van de hoop aan iets nieuws beginnen. Nieuwe banden smeden, hoopvolle projecten starten, oplossingen voor naar het leek onoplosbare problemen bedenken. En ook daarin, juist daarin is de Eeuwige. Nooit vergeten.

 

Ja, als ook jullie de eigen tijd als een crisistijd van angst en onzekerheid ervaren, weet dan dat juist daar daarin en doorheen de Geest van God wervelt als ooit over de donkere chaos van de oervloed om iets nieuws aan het licht te roepen.

 

Tenslotte, ja natuurlijk, ik schreef voor mijn tijd, voor mijn mensen, in mijn taal en met mijn geloofsvoorstellingen. Ik zeg niet dat jullie dat op precies dezelfde manier zouden moeten kunnen na zeggen. Maar ik hoop wel dat ook jullie net als ik met open ogen en met open oren en met een open hart jullie leven leven. En dan weet ik zeker dat ook jullie gaan weten wat jullie te doen staat. De Eeuwige zal het jullie te binnen brengen. Hoe dan ook. Dat hoop ik. Dat geloof ik.

 

Met een hartelijke groet in verbondenheid,

Amos

 

En met deze brief en de antwoorden van Amos las ik zijn profetie nog een keer door. En ik toen dacht ik: wat is het indrukwekkend dat God zich zo mateloos opwindt over alle onrecht en scheve verhoudingen, terreur, haatzaaierij en machtsmisbruik. En toen ik daarover een tijdje zat na te denken voelde ik in mezelf tegen alle onzekerheid en angst vooral de nieuwsgierigheid groeien: benieuwd hoe, waar en met wie Gods Geest een nieuw begin gaat maken. Laat ik me vooral openen om het niet te missen. En dat zou ik jullie allemaal, onze hele Hengelose geloofsgemeenschap – wie niet eigenlijk? - van harte willen aanbevelen. Open je voor het nieuwe begin dat de Geest maakt, open je om het niet te missen. Vandaag en alle dagen van je leven.

Over een stem als je niet meer verder kunt (1 Koningen 19)

31 juli  Thaborkerk 9.15 uur – ds. Herman Koetsveld

Afgelopen week een telefoontje van een redactie: of ik een artikel wil schrijven over de vraag wat vanuit christelijk perspectief gezegd moet worden/kan worden over de ene terreuraanslag na de andere. Want – aldus de bellende redacteur – het blijft vanuit de christelijke gemeenschap eigenlijk zo akelig stil. Ja, de populisten, waar dan ook in Europa, die horen we: de islam is de wortel van al die ellende die op ons afkomt. Maar wat horen we vanuit de kerken? Wat is het christelijke antwoord? Is er ook zoiets als een christelijk antwoord? Kunnen de Bijbelse verhalen uit oeroude tijden ons helpen een heldere blik te krijgen op de uiterst complexe conflicten van onze tijd waarin alles met alles te maken heeft?

Wat een vraag. We spraken er even door. Ja, het is waar, ook ik hoor overal om me heen de uitingen van angst en onzekerheid. We voelen allemaal dat het veel aan ons doet dat de door de commercie voorgeschotelde droom van zorgeloos leven met als klapstuk het zwisterlevengevoel uit elkaar is gespat. De barbaarsheid en onmenselijkheid van de mensen die in de naam van God zeggen te handelen schokt ons tot op onze ziel. De gruwelijke moord in een kerk op de Franse priester Jacques Hamel raakt de christelijke gemeenschap in het hart. Opnieuw. Het denken stopt. Elk voorstellingsvermogen over een medemens die maandenlang zich voorbereid op een daad om zoveel mogelijk dood en angst te zaaien schiet te kort. Je zult het herkennen in jezelf.

Hoe je daartoe te verhouden? Hoe om te gaan met dit besef in een fundamenteel andere tijd terecht te zijn gekomen? Wat te zeggen, te schrijven, te geloven ook? Ja, de populistische oplossing is aantrekkelijk: terug naar het sprookje waarin we samenlevingsbreed meenden te geloven: ons eigen land, met ons eigen geluk, met onze eigen mensen. Aantrekkelijk ja, op het eerste gezicht, maar levensgevaarlijk voor het samenleven, zo heeft de geschiedenis in veelvoud aangetoond.

Weglachen. Net doen of er weinig of niets aan de hand is. Schouderophalen. Je eigen lieve leventje veilig stellen. Denken dat zo lang jij zelf nog voluit kan genieten van het leven er niet veel aan de hand kan zijn. Ja, ook deze reactie op onze tijd is volop waar te nemen. Laten we het voor het gemak naast het populistische model - het struisvogelmodel noemen.

Maar het kan ook zijn dat de moedeloosheid, het gevoel van machteloosheid je helemaal te pakken krijgt. Dat je het liefst jezelf terugtrekt. Zo goed en kwaad als dat gaat. Weg uit het helle licht van de problemen van alledag. Naar de schemer van de ruimte waar misschien rust te vinden is, stilte te vinden is. Als je dat gegeven is.

Het verhaal van deze morgen gaat over zo’n mens die er alles aan gedaan heeft om het goede te zoeken, om te doen wat gedaan moest worden, om te zeggen wat gezegd moest worden. Maar dan concludeert dat niets geholpen heeft. En als je zoiets voor jezelf concludeert, dan kan alle energie uit jezelf weglopen. Waarom je nog druk maken? Waarom je nog inzetten? Ik, ja ik heb alles gedaan wat ik kon. Maar o wat ben ik beperkt. En o, wat hang ik tegen mijn eindigheid aan. Een terugtrekkende beweging vanuit het licht naar het donker is dan ingezet.

Elia zoekt dat donker. Hij heeft het gehad. Zit er doorheen. Geen energie meer. Geen moed meer. Geen kracht meer om over morgen na te denken. Hij vlucht. Weg van alledag. Weg van zijn taken. Weg van alles, misschien nog wel het meest weg van zichzelf. Hij gaat een spelonk binnen. Dat is zo’n ruimte van schemer. Een verborgen plek. Weg van alles en iedereen. Laat mij maar. Nu even niet. Ik kan er niets meer bij hebben. Een grot. Symbool van opgesloten zitten in jezelf. Symbool van een mens in onmacht en angst. Nog een steen ervoor gerold en het wordt een graf. Zo’n plek. Alle perspectief vervaagt.

En uitgerekend op die plek en uitgerekend op dat moment van niet-meer-weten-wat-t-doen klinkt een vraag. Dat zul je altijd zien. Juist als je aan de bodem geraakt, als de nood het hoogst is, als je de lege ruimte betreedt waar niets meer mogelijk is dan enkel daar te schuilen, juist dan klinkt er een stem. Met een vraag. Een vraag waar niemand voor kan vluchten. Een vraag die altijd gaat klinken. De lege schemer maakt ruimte om die vraag te horen. De verteller zegt dat het een vraag van de Eeuwige is. In elk geval is het een eeuwig gestelde vraag: wat doe je hier, Elia? Waarom ben jij hier. Waarom ben ik hier? Mijn leven? Waarom? Zin, betekenis? De vraag van het leven. De vraag naar jouw leven. Een vraag van de Eeuwige.

Een antwoord. Laat er een antwoord zijn. Waar gaat mijn leven over? Waarom ben je hier? Het antwoord dat Elia geeft, is het antwoord dat we eigenlijk altijd wel kunnen bedenken. Dat we meestal ook geven. Antwoord: dit en dat heb ik gedaan. Zus en zo is mijn carrière verlopen. Daar en daarvoor heb ik mij altijd hard gemaakt. Mijn gehol en mijn gevlieg is het antwoord op de vraag ‘waarom ik hier ben’. Ik loop er in vast. Het is frustrerend. Het heeft ook vaak niet opgeleverd wat ik er ooit van hoopte. Wat kan ik er nou aan doen dat de tijden zo dramatisch veranderen. Ik heb op mijn manier altijd mijn best gedaan. Laat dat mijn antwoord maar zijn.

‘Ga naar buiten Elia, en ga op de berg staan voor het aanschijn van de Ene.’ Wat een uitnodiging. Er moet iets gebeuren om een ander antwoord op het spoor te komen. De berg op, die berg Horeb waar ooit de Torah aan Mozes werd gegeven, beeld van de nabijheid van de Eeuwige. Moet het dan zo? Dat we moeten opklimmen uit onze alledaagse beperktheid die zo vermoeit, die zo frustreert, die soms zo wanhopig maakt? De berg op: het is een uitnodiging om niet het perspectief van de diepe wanhoop, maar van het goddelijke licht te kiezen. Die plek waarvan het woord van leven tot ons komt: kies het leven. Heb lief. Zoek de gerechtigheid. Wees trouw. Dat.

Elia doet het niet. Kan het ook niet. Dat is teveel gevraagd. Maar hij gaat naar de ingang van de spelonk. Dat blijkt ver genoeg. Hij trekt zich niet verder terug in de duisternis. Maar opent zich. En wacht op wat komen gaat. Daar op die grens van donker en licht. Van wanhoop en hoop. Van sprakeloosheid en aangesproken worden. Van dood en leven.

Die vraag, ‘waarom ben je hier’ ‘wat doe je hier?’ die heeft met God te maken. Maar hoe zit dat dan? Hoe moet je dat begrijpen? Waar herkennen wij de hand van God in ons leven? Wat een wonderlijk verhaal wordt er verteld. Boordevol symboliek en betekenis.

Daar, bij de ingang van de grot, daar op die grens van verborgenheid en de wereld buiten jezelf, daar ziet Elia wat wij ook zo vaak zien. Van journaal tot je eigen leven. Een enorme storm trekt aan hem voorbij. Krachten die je te boven gaan. Die vernietigen en doen splijten. Die al het kwetsbare en het tedere wegblazen. Krachten waar je geen enkele vat op krijgt. En daarom zo vaak aan God, aan Allah, of welke goddelijkheid dan ook worden toegeschreven.

Maar, in die storm, zo’n storm is de Ene niet. God belaagt ons leven niet met een allesvernietigende en wegvagende en stukmakende kracht. Daarin is Hij niet.

Daarna is er een aardbeving. De grond onder onze voeten. De fundamenten waarvan wij dachten stevig te staan. Als het tegen zit, golft en beeft het onder ons en weten we ons leven belaagt tot in de grond van ons zijn. De godsdiensten roepen in koor: typisch God om ons daarmee een lesje te leren. Maar de verteller van ons verhaal herhaalt – en hoe bijzonder hier te lezen: in zo’n aardbeving is de Ene niet.

En dan is er een vuur. Alles verterend, alles verschroeiend. Alles dodend wat op zijn weg komt. Vuur van haat. Vuur van macht, vuur van fanatisme, vuur van onmenselijkheid. Vuur waarmee mensen mensen doden. Vuur van zogenaamd gerechtvaardigde offers. In zo’n vuur is de Ene niet.

Waar wel? Hoe wel? Hoe te verstaan en hoe te antwoorden? Dan, na het vuur, een stem van een zachte stilte. Stilte kun je horen. Elia hoort. Hij omhult zich met zijn mantel. Hij weet, ervaart, begrijpt dat God hem nabij komt, in deze stilte. Stem van een zachte stilte. Anderen vertalen met ‘het suizen van een zachte wind’. Wind, adem, geest, stem.

De verteller zegt niet expliciet dat in de stilte de Ene wel is. Dat suggereert hij. Wat hij vertelt is dat daar, in die zachte stilte de stem opnieuw gehoord wordt: ‘waarom ben je hier, Elia?’ Wat doe je hier? De vraag wordt herhaald. De stilte is nodig om een ander antwoord te vinden, dan alleen de opsomming van alles waar je zo eindeloos druk mee bent en waar je je zo eindeloos druk over maakt.

Elia antwoordt de stem voor de tweede keer met een opsomming van zijn naar het lijkt zo mislukte en hopeloze taak van voorheen. Hij zegt: het heeft niets uitgehaald. Het is zelfs zo dat mijn leven inmiddels een bedreigd leven is. ‘nu zoeken ze mijn ziel om ook die te nemen’.

De stem van de Ene gaat niet in discussie met Elia. Zijn ervaring van wanhoop en angst en onzekerheid wordt niet ontkend of verzacht. Maar de Ene zegt – en zo staat het er letterlijk:- keer terug naar je weg. Die donkere spelonk van angst waarin alles doodloopt: dat is niet de plek om te blijven. Keer terug op je weg. En dan volgt een profetie over wie hij onderweg zal tegenkomen. Mensen die de politieke en maatschappelijk situatie van dat moment drastisch en bepaald niet zachtzinnig zullen doen veranderen.

Met tenslotte de belofte: er zullen zeven keer duizend mensen overblijven die niet voor Baäl: voor die ellendige god van het geweld hebben gebogen. Zevenduizend. Da’s niet al te veel, zo lijkt het. Maar in de getalssymboliek van de Bijbel is het: zeven – getal van de goddelijke volheid – maal duizend: het getal van eindeloos veel. Goddelijk maal eindeloos veel. Een nieuw begin gloort.

Ja, het overkomt Elia, het overkomt ons dat we vanuit die diepe ervaring van onze beperktheid, eindigheid en machteloosheid verzeild raken in een donkere spelonk van angst en wanhoop. Maar dan vroeg of laat is er die vraag. Het is de vraag die een nieuw begin mogelijk maakt. Die ons helpt op te staan en te doen wat gedaan moet worden. Die vraag: waarom ben je hier? Wat doe je hier? Ik geloof dat ik daar maar over moet schrijven binnenkort: over die stem die ook nu tegen ons zegt: keer terug naar je weg. Keer terug naar waartoe je geroepen bent: mens te zijn in Godsnaam. De liefde te delen in Jezus naam. Jij, zoals je bent, dat is genoeg. Ga jouw weg met God.

Een stem een vraag
eerst een antwoord
van doen en drukte
en alles trekt aan mij voorbij
van storm en beving
van vuur en wanhoop

Een stem een vraag
nogmaals gehoord
in zachte stilte
waarom ben je
en daarin de Ene die zegt
keer terug jouw weg

Over verloren zijn en gevonden worden (Lukas 15:11-32)

7 augustus  Thaborkerk 9.15 uur – ds. Herman Koetsveld

‘Toen kwam hij tot zichzelf’. Jezus vertelt een verhaal. Zoals hij eigenlijk altijd verhalen vertelde. Jezus schreef geen dogmatieken. Hij deed niet in overzichtelijke belijdenisteksten waar je in dient te geloven. En ook liet hij ons geen leer na. Maar hij vertelde verhalen. Een van die verhalen heeft alleen Lucas opgetekend. Gelukkig maar, want het is een prachtverhaal. Ik zou het niet graag willen missen. Want het vertelt ontzettend veel over hoe Jezus dacht over God, over mensen en over wat er zoal met mensen kan gebeuren in het leven.

‘De gelijkenis van de verloren zoon’, zo is het verhaal gaan heten vanwege het kopje dat de uitgevers van de bijbel er ooit boven hadden gezet. Maar het had net zo goed anders kunnen heten. De gelijkenis van God die op zijn kind wacht, bijvoorbeeld. Of de gelijkenis van een keerpunt in het leven van een mens. Of de gelijkenis van twee manieren in het leven staan. Ik noem maar wat.

Er zitten nogal wat gelaagdheden in dit verhaal. Je kunt er heel veel kanten mee op. Je kunt er heel veel verschillende dingen in horen en in zien ook. Bovendien is het zo verteld dat je mag kiezen: alsjeblieft: waar zit jij in het verhaal: met wie kun jij je identificeren? Of aan wie stoor je je het meest? Een mens die met terugwerkende kracht ontdekt fout op fout te hebben gestapeld? Die keuzen gemaakt heeft die bij ander inzien op z’n zachtst gezegd nogal onhandig uitpakte? Een mens die hartstochtelijk naar echte vrijheid heeft verlangd en tot haar, tot zijn schrik na verloop van tijd zichzelf terugvindt in een situatie waarin zij/hij geen kant meer uitkan?

Of, dat kan ook natuurlijk, een mens die eigenlijk altijd op safe heeft gespeeld. Die gedaan heeft wat er zoal verlangd werd. Geen gekke dingen, geen bokkensprongen, geen risico’s genomen. Die misschien ook wel verlangd heeft om eens buiten de geijkte weggetjes te gaan lopen, maar als het erop aan kwam gewoon netjes en keurig haar/zijn leven geleefd heeft? Een mens die gaandeweg is gaan geloven dat haar/zijn manier van leven toch een stuk beter is dan wat sommige andere mensen er van maken.

Een verhaal ook over God. Ook zo’n lijn. Jezus heeft het eigenlijk nergens heel direct over God. Maar hij vertelt in beelden. Maar naar dit verhaal is door de kerk niet zo goed geluisterd. Soms denk ik, er is helemaal niet naar geluisterd. Wij moesten immers geloven dat God almachtig is. Overal en altijd aanwezig, overal en alles leidend, sturend, scheppend.

Maar kijk nou toch wat Jezus vertelt. Over een ‘iemand met twee zonen’. In die iemand, in die vader uit het verhaal herkennen we de trekken van de Eeuwige. En wat doet hij? Hij geeft zonder meer de helft van zijn vermogen aan zijn jongste zoon, als die hem daarom vraagt. Die zoon verlangt de vrijheid om te gaan en te staan waar hij wil. Deze vader geeft hem die vrijheid. Geen vragen. Geen voorwaarden. Geen beperkingen. Alsjeblieft: hier heb je recht op. Het ga je goed.

De Ene geeft je een vermogen. Jouw deel. Meer dan genoeg om van te leven, om je leven mee in te richten, om naar de dag van morgen te kunnen kijken. En hij laat los. Laat gaan. Het ligt aan de keuzen van die jongste of hij dichtbij of ver van deze vader zal gaan leven. Of hij nog eens langs zal gaan, om raad zal vragen, de dingen van het leven zal bespreken. Of niet. Zo gaat de Allerhoogste met zijn kinderen, met zijn mensen om, volgens Jezus. Je ontvangt jouw deel van het leven, en je ontvangt er iets bij: alle vrijheid om zelf je weg te vinden. Om zelf je keuzen te maken. En jouw vermogen, dat wat je meeneemt, dat heb je ‘van huis uit’, dat blijft de verbinding: je leven met al zijn mogelijkheden. Het is een vermogen. Dat je ontvangt om niet. Pro Deo.

Zo verwijst Jezus, al vertellend, naar God. Ik ben hem er zo dankbaar voor, voor dit verhaal. Het geeft zoveel ruimte, er is zoveel vrijheid, het is zo voorstelbaar allemaal. Maar ook, eerlijk is eerlijk, alle verantwoordelijkheid komt bij die twee zonen te liggen. Zij krijgen beiden hun deel van het vermogen. Ook zo’n opvallend detail: het bezit van de vader wordt over zijn kinderen verdeeld. Oftewel: mensen moeten en kunnen er mee aan de slag met dat wat van God is.

We weten hoe het verder gaat. Dat wisten we trouwens ook wel zonder dit verhaal. Dat weten we uit ons eigen leven. Twee kanten van het leven die ons meer dan dwars kunnen zitten. Die ons ten val kunnen brengen. Die ons geluk, ons hele zijn bedreigen. Vaak kiezen we voor de korte termijn. Materiële rijkdom en geestelijke armoede en kortzichtigheid gaan dan hand in hand. De prijs die we moeten betalen, persoonlijk, maatschappelijk, wereldwijd, we hebben er in eerste instantie geen idee van. En laten we eerlijk zijn, we besteden er aanvankelijk ook nauwelijks aandacht aan: gespitst als we zijn op onszelf. Het kan niet op. Dachten we. Denken we. Totdat….

Want in enen worden we ingehaald door het leven. Dan blijkt de opgetuigde buitenkant van ‘ja hoor alles goed’ de façade van een meer dan armoedige binnenkant. De keuzen die we maakten brachten ons niet die ultieme vrijheid die we verlangden. Integendeel, we moeten ons in bochten gaan wringen om het hoofd boven water te houden. We hadden nooit gedacht dat ons leven zo kwetsbaar, zo fragiel, zo angstig eenzaam kon zijn. Met terugwerkende kracht begrijp je niet waarom je het niet gezien hebt, waarom je alleen maar oog had voor je eigen belangen van – ja, van wat eigenlijk? En ja, wat kun je je dan verdwaald voelen. Wat kan je dan pijnlijk achter komen dat je jezelf bent kwijtgeraakt. Niet meer weet wie je eigenlijk bent? Wat je hier doet? Welke kant je nog uitkunt?

Maar het is lang niet altijd is het eigen schuld die een mens kan vloeren, doet vallen. Jezus vertelt zo naar het leven. Zo eenvoudig compleet eigenlijk. Er komt een hongersnood in dat land waar de jongste verblijft. Oftewel: in dat wat een mens nodig heeft in het alledaagse, het brood, daar is gebrek aan. Dat kan die mens natuurlijk niets aan doen. Dat overkomt je.

Noodlot. Dingen die gebeuren buiten jouw vermogen om om er invloed op uit te oefenen. Iets op je werk, een ongeval, een ziekte die je treft. Of een plotseling gebrek aan dat waar je als mens gewoon van leeft, waar je naar hongert als brood van alledag: liefde, trouw, aandacht, bevestiging, veiligheid, gekend worden. Als daar plotseling gebrek aan komt. Dan kun je ook aan de grond komen te zitten. Dan kun je ook die ervaring opdoen van geen mens meer te zijn, je geen mens meer te voelen.

Die twee: gevolg van eigen keuzes en/of noodlot: Jezus maakt er een beeld van wanhoop bij: een mens bij de varkens, een mens die verlangt naar het eten van deze in de oren van zijn hoorders wel het meest onreine dier. Beeld van de diepste verlorenheid.

‘Toen kwam hij tot zichzelf’. De Nieuwe Vertaling doet hier iets volslagen onbegrijpelijks. Tot twee keer toe staat er in de grondtekst het werkwoord ‘opstaan’. De eerste keer wordt het gewoon overgeslagen. De tweede keer vertaald met: ‘hij vertrok meteen’. Maar ‘opstaan’ is toch gewoon Nederlands? Als een mens aan de grond van haar of zijn leven zit, gevloerd is, en dan tot zichzelf komt, dan is er toch eigenlijk maar één woord dat er nog toe doet en dat is toch dit woord: opstaan!

Twee keer ook wordt dit gezegd door de vader: mijn zoon, jouw broer, hier was dood, maar hij is levend geworden, hij was verloren, maar is gevonden. We horen uit Jezus mond, hij die op weg is naar Jeruzalem, niet minder dan een verhaal van opstanding! Daarom, omdat verteld kan worden dat mensen tot zichzelf kunnen komen en opstaan. Daarom, omdat verteld kan worden dat mensen dood zijn en aan de grond zijn komen te zitten, maar levend worden.

Hoe gebeurt dat, wat maakt dat dat met mensen, met ons kan gebeuren? Jezus vertelt hier zo zeldzaam compleet, zo richtingwijzend, zo ontvouwend als het leven. Het is de herinnering aan waar je vandaan komt. Het is de bezinning op je eigenlijke thuis, je diepste afkomst. Het is het doorbrekende besef van waar de overvloed van het brood gegeven en gedeeld wordt. Dat besef, dat geeft de kracht, de moed, de wil om op te staan en op weg te gaan.

In dat besef vindt ook een positiewisseling plaats. Van zoon naar dagloner. Hij beseft geen recht te hebben op dat wat hij broodnodig heeft. Hij staat niet op om het op te eisen. Hij staat op in de hoop het te mogen ontvangen. Erin te mogen delen. Maar dan wel: dagloner; er is werk aan de winkel. Wij hebben geen recht op het leven. Wat een misverstand is dat toch. Maar wij delen in het leven, ontvangen het leven met niets anders meer dan met open handen.

Rembrandt heeft dit verhaal van de vader en die twee zonen ook gehoord. Het verhaal fascineerde hem, want hij heeft er verschillende studies, etsen en schilderijen aan gewijd. Onder de indruk als hij was van wat er hier verteld wordt van God en zijn mensenkinderen. De zoon is opgestaan om te kunnen knielen. Maar volgens Rembrandt maakt ook de vader in dit verhaal een knielende beweging. De Eeuwige gaat door de knieën voor een welkom op niveau. Om daar te zijn waar mensen aan de grond zitten. Hij heeft gewacht, zijn geduld werd zwaar op de proef gesteld. Maar hij heeft er altijd in geloofd, dat dat kan, dat jij tot jezelf komt en dat je opstaat om te ontvangen dat wat je zo broodnodig hebt.

Die oudste zoon – dat hadden we niet gedacht – maar ook hij valt. Hij valt in cynisme. In afgunst en jaloezie. Hij, met zijn keurige en o zo ordentelijke leven. Hij vindt dat één keer fout altijd fout is. Hij vindt dat je het een mens moet ontzeggen om echt opnieuw te mogen beginnen. Hij vindt dat er twee soorten mensen zijn. Mensen die deugen en mensen die niet deugen.

Hij oordeelt op afstand. Hij wil geen deel uitmaken van heel die feestelijke beweging van het nieuwe begin, van nieuwe verhoudingen, van die prachtige beweging van vergevende liefde, van een hernieuwde gemeenschap. ‘Die zoon van u’ zegt hij. Hij wil de verlorene, de opgestane, die mens die opnieuw mag beginnen geen broer noemen. De afstand kan niet groter zijn. Hij valt, tuimelt uit de verbondenheid met elkaar. Hij raakt op zijn beurt verloren.

‘Kind’, zegt die vader, ‘jij bent altijd bij mij. Wat van mij is, is van jou’. Zo houdt die vader ook voor deze zichzelf verliezende mens de deur open: Kind. Alles van mij, ook voor jou. Ook voor deze verlorene die het allemaal zo goed dacht te doen is altijd een nieuw begin mogelijk, al vertelt Jezus niet hoe het met deze zoon afloopt. Dat is aan jou, om dat te bedenken. Je dat te verbeelden, dat je eigen te maken.

Als je maar beseft, meevoelt, dat heel dit verhaal, een verhaal van liefde is. En omdat dit een verhaal van liefde is, is het ook een verhaal van een nieuw begin, van tot jezelf komen en opstaan. Je gelooft je eigen oren toch niet als je dan hoort zeggen: jij was dood, maar je bent levend geworden, jij was verloren, maar je bent gevonden. Godzijdank.

In diep verdriet verbonden worden (Johannes 19:17-27)

14 augustus  Bethelkerk 10.00 uur – ds. Peter Hendriks

 

Jezus aan het kruis. Een heftige lezing, midden in de zomer, midden in de vakantietijd.

Vol agressie, pijn. Verschrikkelijk. En onder het kruis soldaten, beulen, met alleen aandacht voor de kleren van de slachtoffers. We herkennen het in onze tijd. Bootjes die kansloos de Middellandse Zee in worden geduwd, smokkelaars die achteloos hun winsten tellen. Jezus aan het kruis. Verschrikkelijk om bij stil te staan, elke keer weer. En juist in de zomer, in de vakantietijd, word je er het vaakst mee geconfronteerd. Tussen alle wandelingen en uitjes door. Als je even ergens een oude kerk in loopt. Altijd is er het kruis.

 

Vorige week nog, toen wij op weg terug van Zwitserland in de buurt van Karlsruhe aanlegden bij het prachtige Cisterciënzer kloostercomplex van Maulbronn. Ga je de kloosterkerk binnen, dan is het eerste wat je ziet: een groot kruis. Meer dan 500 jaar geleden opgehangen, midden in de kerk. Kruis en lichaam van Jezus, gebeiteld uit één stuk steen. Indrukwekkend, groots kunstwerk.

Daar sta je dan, tussen toeristen uit alle hoeken en gaten van de wereld. Chinezen, Japanners. En maar foto’s maken. Heel knap gedaan. Alleen het kruis zelf al. Ziet eruit als hout, maar het is dus van steen. Het klooster werd ergens in de 12-e eeuw gesticht, vanuit Bourgondië. Vanuit de buurt van Cluny. Als reactie op het kloosterleven daar, waar monniken helemaal opgingen in het rijke Bourgondische leven dat ze er hadden opgebouwd.

Als we met de jongeren naar Taizé gaan, dan zitten we daar vlakbij, bij de ruïnes van Cluny. Van dat oude klooster in Cluny is nog maar weinig over. Maar het maakt Taizé wel extra bijzonder. Op nog geen tien kilometer van Cluny, 1000 jaar geleden het centrum van religieus en cultureel Europa, is daar nu dus de heuvel van Taizé. Met die bijzondere, van huis uit protestantse, maar inmiddels voluit oecumenische, kloostergemeenschap van Taizé. Springlevend. Toen wij er drie weken geleden waren, werd er net een jongen, uit Australië gekleed, ingewijd tot broeder. Eén van de acht nieuwe broeders dit jaar daar.

 

En ook in Taizé een groot kruis. Elke vrijdagavond na het avondgebed wordt het zelfs midden in de kerk op de grond gelegd. Een kruis zonder corpus, zonder lichaam van Jezus. Maar wel heel groot. Jongeren die dat willen, krijgen elke week de gelegenheid om een moment hun hoofd op dat kruis te leggen, er te bidden als ze willen. Russische christenen in de tijd van de koude oorlog vroegen erom. Om zo te kunnen bidden voor vervolgde christenen. Voor alle vervolgde mensen, wie en waar ook. Een kruis, ook voor persoonlijke gebeden. Om er alles achter te kunnen laten waar je mee zit, moeite mee hebt, pijn van hebt, verdriet, zorgen. Alles waar je los van wilt komen in je leven om een nieuw begin te kunnen maken. Indrukwekkend om te zien gebeuren, dat bidden bij het kruis. Het kan met die paar duizend jongeren die er in zo’n week zijn, uren lang doorgaan, tot midden in de nacht. Onze jongeren blijven er soms uren bij zitten. En reken maar: ze zullen het nooit vergeten. ‘Dat zoiets kàn, zoiets bestààt!’

 

In de lezing van vandaag zien we dat er van alles gebeurt onder dat kruis. Niet alleen soldaten zijn er, de vier beulen, druk bezig met de verdeling van de kleding. Er zijn ook vier vrouwen. Vier vrouwen die het erop gewaagd hebben er bij te blijven. De mannelijk volgelingen hadden dat lef niet. Op één na. Die durft daar nog wel te zijn. “De leerling die Jezus het meest lief heeft”, wordt hij hier genoemd. Vast en zeker Johannes zelf, de schrijver van dit boek, denkt iedereen. Maar ja, waarom noemt hij zijn eigen naam dan niet. Is dat bescheidenheid? Of is het, wat veel bijbelgeleerden denken, omdat Johannes zijn evangelie allereerst schrijft voor de christelijke geloofsgemeenschap die zich in zijn navolging heeft gevormd. Plaatst Johannes hier zijn eigen geloofsgemeenschap als het ware onder het kruis. Weet hij zich als die ene leerling vertegenwoordiger van heel zijn geloofsgemeenschap die Jezus lief is. Omdat zij hem, uiteindelijk, ten diepste hebben begrepen.

Maar goed, Taizé. Het is er top gezellig, en ondertussen maken de jongeren ook heel wat mee, zo’n week. Pratend met elkaar, en ons, hun begeleiders. Over hun leven, en hun geloven.

Eén van onze jongeren nam mij op een gegeven moment apart. Ze is geen lid van een kerk, maar een aantal jaren geleden was ze al eens met ons mee geweest en nu dus weer. De ontmoetingen, de gesprekken, de gebeden. Opnieuw vond ze het fantastisch. Zo open, alles en iedereen. Ze voelde zich helemaal thuis. En toch. Praten over God, de gebedsdiensten, de muziek, ze vond het zo mooi. Daar had ze wat aan. Maar dat het zo vaak over Jezus moest gaan. In haar gespreksgroepje bijvoorbeeld. “Ik kan daar zo weinig mee”, vertelde ze. En dat maakt me zo verdrietig. Het geeft me het gevoel dat ik hier eigenlijk niet hoor. Ik ben hier zo graag. Maar misschien is Taizé er helemaal niet voor iemand als mij. Ze had tranen in de ogen

Een gouden momentje, zo’n gesprek. Want, zo kun je echt praten. Wat was ze er blij mee toen ik haar vertelde dat Jezus in de verhalen in de Bijbel eigenlijk nooit naar zichzelf verwijst. Dat is het laatste wat hij wil. Iemand in de weg staan die op zoek is naar de Eeuwige, naar God. Hij wil maar één ding en dat is: je op weg leiden naar de Eeuwige, naar God.

Ondertussen is het wel bijzonder om in de Bijbelverhalen te zien, dat de mensen de Eeuwige, de God, naar wie Jezus verwijst, in Jezus zelf zijn gaan herkennen. En al helemaal in het Johannesevangelie: Terwijl Jezus in wat hij doet en zegt steeds naar de Eeuwige verwijst, naar God, hem zijn Vader noemt, wil Johannes tegelijk laten zien hoe je in alles wat Jezus doet en zegt, de Eeuwige zelf kunt herkennen, tegen komt. In Jezus komt God zelf ons tegemoet. In de naam Jezus komt de Godsnaam al terug zelfs: Jahwe: ik ben er.

 

Mooi zoals de Cisterciënzers dat als echte bouwmeesters, in Maulbronn laten zien. Het kruis daar midden in de kloosterkerk hingen ze 500 jaar geleden zo op, dat één dag per jaar, op 21 juni, als de zon haar hoogste punt bereikt, die zon door één van de hoge ramen op een gegeven moment precies op het hoofd van Jezus schijnt. Tenminste, als er geen bewolking is. Jezus aan het kruis, maar zijn hoofd, een moment lang, helemaal in het zonlicht. Jezus aan het kruis, het heeft bij Johannes ook iets groots, iets verhevens, koninklijks. Al wordt zijn gezicht dan wel heel scherp zichtbaar: vol groeven, van pijn doortrokken Je ziet het voor je, in die lezing uit Johannes.

 

En dan volgt er een bijzonder moment in de lezing vanmorgen. Johannes vertelt hoe één van de vier vrouwen, onder bij dat kruis, Jezus eigen moeder is, staand naast de ene leerling.

Die ene leerling die hem het meest lief is. Een verschrikkelijk moment. Alle stabat maters in de muziek gaan daarover. Over hoe afschuwelijk het is voor een moeder om zo haar kind te moeten zien lijden, te verliezen. En met haar kind eigenlijk alles verliest wat haar lief is.

Op dat moment, vertelt Johannes, kijkt Jezus haar aan, en zegt: “Vrouw, zie daar je zoon.” En vervolgens, tegen de leerling: “Zie, je moeder.” Hartverscheurend moment van afscheid. Overdracht van zorg van een zoon voor zijn moeder. En tegelijk overdracht van moederliefde, liefde voor een kind.

Vanaf dat moment, vertelt Johannes, zal die leerling Jezus’ moeder bij zich nemen. Uit andere bronnen horen we hoe ze tot aan Maria’s dood bij elkaar zijn gebleven. Johannes en Maria zijn samen weggevlucht toen Jeruzalem werd verwoest door de Romeinse legers en kwamen toen samen ergens in het tegenwoordige West Turkije terecht. In de buurt van Efese, waar nog steeds het graf van Maria wordt aangewezen. Johannes zelf komt uiteindelijk op het eiland Patmos terecht, in een christelijke geloofsgemeenschap die hem op handen draagt. Eenmaal zelf op hoge leeftijd, schrijft hij dan zijn evangelie, en zijn brieven en apocalyps, het boek Openbaringen.

 

Je zou kunnen zeggen: Johannes schrijft in dit gedeelte vandaag een klein stukje eigen  geschiedenis, en vertelt hier hoe het komt dat het later met hen allemaal zo is gegaan zoals het is gegaan: de zorg die hij op zich nam voor Maria. En toch lijkt er meer aan de hand. Want direct na die woorden van Jezus: ”vrouw, zie je zoon”, en “zie je moeder” schrijft Johannes in vers 28: toen Jezus dat gezegd had wist hij dat alles was volbracht.

Het gaat hier, bij deze woorden aan het kruis van Jezus, kennelijk om iets belangrijks. En is er voor de evangelist Johannes veel meer aan de hand dan dat hij wil vertellen hoe het allemaal precies is gegaan. Johannes noemt de naam van Maria niet eens! Hoeveel ze ook met elkaar hebben opgetrokken, als een zoon met zijn moeder, hoeveel ze ook samen hebben beleefd, veel voor elkaar betekend hebben.

Zoals Johannes zijn eigen naam in zijn evangelie niet noemt, zo noemt hij ook de naam van Maria niet. Terwijl uit alles blijkt hoeveel respect hij voor haar heeft. Haar naam noemt hij niet. Hier niet, en de enige andere keer dat hij over de moeder van Jezus vertelt in zijn evangelie, aan het begin van zijn evangelie, in hoofdstuk 2, ook niet. In het verhaal over het eerste optreden van Jezus. Op de bruiloft, in Kana. Het feest, waar de wijn opraakt en alles mis dreigt te gaan en Maria Jezus te hulp roept. Als Maria vol verwachting is over waar Jezus toe in staat is. Ook daar noemt Johannes de naam van Maria niet. En ook daar spreekt Jezus haar aan met “Vrouw”.  “Vrouw, wat wil je van me? Het is mijn tijd nog niet.”

Zijn tijd is het pas hier, in hoofdstuk 19, aan het eind, aan het kruis, na deze woorden: “Vrouw, zie je zoon”, en “zie je moeder”. Pas dan, schrijft Johannes, is alles volbracht.

 

Vreemd, zoals Johannes de naam van Maria niet noemt. Terwijl hij zoveel respect heeft voor haar. Misschien noemt hij haar naam daarom wel niet, omdat hij zo in zijn evangelie er voor kiest Maria te laten staan voor alle mensen die in verwachting zijn, alle mensen die op zoek zijn. Maria vertegenwoordigt ieder mens die er naar uitziet dat de toekomst van de Eeuwige zichtbaar wordt in onze wereld. En die ene leerling, de leerling die Jezus het meest liefheeft. We zagen het al, misschien noemt Johannes zijn eigen naam niet, om zo te kunnen staan voor elke geloofsgemeenschap die Gods liefde in Jezus herkent. Hij vertegenwoordigt daarmee alle geloofsgemeenschappen die leven in het diepe weten, dat met wat Jezus doet en zegt en betekent, de Eeuwige, de Altijd Aanwezige, zich naar mensen toekeert, en hen opneemt in zijn toekomst van liefde. Aan het kruis verbindt Jezus hen aan elkaar: Maria en Johannes, de moeder van Jezus en de leerling die Jezus het meest lief heeft, de zoekers naar toekomst, de wachters en verwachters, en de gemeenschap van gelovigen die in de nabijheid Jezus de realisering van Gods liefde herkennen/ervaren.

En dat gebeurt niet met uitsluiting van mensen. In Taizé hoeft niemand zich buitengesloten te voelen. En in het evangelie zelf wordt niemand buitengesloten. Jezus is, in alles wat hij doet en zegt, inclusief. De liefde van God overschrijdt al onze grenzen. En aan het kruis wordt duidelijk hoe ver dat gaat. Tot in het meest verschrikkelijke, het meest donkere dat mensen kan overkomen. Niet voor niets hangt het kruis van Jezus daar in de kloosterkerk in Maulbron nagenoeg heel het jaar in het donker, en soms zelfs twee jaar of drie jaar achter elkaar.

 

Dat de liefde van de Eeuwige mensen tot in het donkerste donker nabij wil zijn. Dat is het wat een geloofsgemeenschap op de been houdt, wat er ook gebeurt. In het holst van de nacht, midden in alle pijn, en verdriet, zelfs aan het kruis, verbindt Jezus mensen aan elkaar. En worden wij als geloofsgemeenschap van Jezus, gesteld voor een enorme uitdaging, een groot nieuw begin, (met in je achterhoofd de bootjes op de Middellandse Zee, de aanslagen in Thailand, de raketten op De Krim, de oorlog in Aleppo): Geloofsgemeenschap van Jezus, zorg ervoor dat je open staat voor mensen op zoek. Voor welke Maria, welke zoeker dan ook maar, hoe haar naam, zijn naam ook is. Dat ze zich welkom zullen weten in je midden. Er een thuis vinden, zich eigen weten. Broeders, zusters, moeders, vaders, één grote familie!

 

Daar sta je dan, te kijken naar een kruis, tussen al die Chinezen en Japanners. Mensen die je nauwelijks kent. Overal klikken de fototoestellen om je heen, daar in Maulbronn. Terwijl de gids vertelt over dat ene moment: het zonlicht recht op Jezus’ gezicht.

Verzoening, verbinding. Het woord religie betekent het op zich al, letterlijk: verbinding. Weg met alle uitsluiting, alle tegenkracht Weg met alle agressie, weg met geweld. Dat is geen gemakkelijke weg. Je ziet de groeven op Jezus’ gezicht. En toch: de verbinding is gelegd. Verzoening en verbinding, daar gaat het hier om. Wij mogen ons zelf begrijpen als één grote mensenfamilie. En dat wereldwijd. Jezus heeft zijn missie volbracht!

Een fors conflict + een gevonden oplossing (Handelingen 15:1-21)

21 augustus  Bethelkerk 10.00 uur – ds. Peter Hendriks

“Een historische dienst” zei iemand na afloop van de zesde zomerdienst. Het was de laatste in een serie van zes, met de gezamenlijke wijkgemeenten van de Protestantse Gemeente in Hengelo. “We worden ons als wijkgemeenten in Hengelo ervan bewust dat we op de drempel staan van grote veranderingen.” Met of zonder aankoop van de Waterstaatskerk. Er staat veel te gebeuren. Hierbij de preek en de inleiding.

 

Inleiding op de lezing uit hoofdstuk 15 van het boek Handelingen, en preek, op zondag 21 augustus 2016 in de Bethelkerk in de Protestantse Gemeente in Hengelo Ov. Door ds. Peter Hendriks.

 

Inleiding:

Vandaag dus alweer de zesde zomerdienst. De laatste in de serie  “Opnieuw beginnen?!” Met als thema voor deze zondag:  “een fors conflict + een gevonden oplossing”  “Mooi”, zei iemand vorige week, ”zo’n thema. Het is net als een boek dat je in de zomer leest. Je gaat alle kanten op, en toch vormt het een mooi geheel, een mozaïek.” Nou, alle kanten gaan we zeker op. Het thema hebben we in het werkteam samen bedacht. Herman Koetsveld koos er de Bijbelgedeeltes en de subthema’s bij. Schitterend gedaan.

Maar ook uitdagend natuurlijk, je kent Herman. Vorige week de lezing over Jezus aan het kruis. Hoe Jezus hangend aan het kruis, Maria en Johannes aan elkaar verbindt. En zoals er bij Johannes vaak meer betekenislagen over elkaar heen liggen: hoe Jezus mensen die op zoek zijn, verbindt met mensen die het kostbaarste wat ze zich kunnen voorstellen, hebben gevonden.  Mensen verbinden, verzoenen met elkaar en met God, daar ging het om toen. Vandaag gaan we lezen uit het boek Handelingen. Hoofdstuk 15. Met als bijgeschreven thema: Een fors conflict + een gevonden oplossing.

 

Hoe heftig kan het zijn. Ook bij ons. Vóór de vakantie was er de kanselafkondiging dat de commissie Perspectief en de burgerlijke gemeente het na jaren van onderhandelen eens lijken te worden over de Waterstaatskerk.  Er moeten nog enkele hobbels worden genomen, maar toch. Wat hebben de mensen van de commissie Perspectief er de afgelopen jaren veel energie in gestoken. Zoeken naar mogelijkheden voor onze Protestantse Kerk om centraal in Hengelo een gezamenlijke kerk te realiseren, Een ontmoetingscentrum zoals het beeldverhaal van het gemeentegesprek beschrijft.

Voor de perspectievelingen was het een achtbaan. De ene keer was er van alles mogelijk. En dan weer helemaal niets, werd alles ze uit handen geslagen. Maar ze hielden vol, en nu lijken ze tot een realiseerbaar voorstel te kunnen komen. Wie weet gaan we de komende maand van hen horen. Je mag er toch niet aan denken dat het nog een keer mis gaat en de boel niet door gaat.  Want langer wachten kan haast niet meer. Want dan zullen we in de wijken zelf grote en pijnlijke stappen moeten nemen om het hoofd boven water te houden.

 

Dus heftig wordt de komende tijd zeker, met of zonder aankoop van de Waterstaatskerk. Met ingrijpende stappen. Met de Waterstaatskerk stappen naar voren, en anders stappen naar achteren. Hoe dan ook, niets zal zo blijven zoals het nu is. We staan voor een nieuw begin. En dat is een hele uitdaging. Best goed voor ons om bij zo’n uitdaging ook dit hoofdstuk uit het boek Handelingen te lezen. Want waar uitdagingen zijn, liggen conflicten gemakkelijk op de loer.

 

Wat is er aan de hand, in de lezing van vandaag? We leven in het gedeelte van vandaag 15, hooguit 20 jaar na alles wat zich afspeelt rond de kruisiging en opstanding van Jezus. Paulus en Barnabas zijn op bezoek in Antiochië, een stad zo’n 400 kilometer ten noorden van Jeruzalem, waar inmiddels een flinke christelijke geloofsgemeenschap was gegroeid. Met veel joden. Maar ook met veel niet joden.

Niet alleen Paulus en Barnabas zijn daar op bezoek. Er zijn ook mensen uit Jeruzalem gekomen. En zij vragen aan de jóden daar, die zich hebben aangesloten bij die Jezus- geloofs-gemeenschap in Antiochië: kan dat allemaal? Eten en drinken jullie als joden met mensen die onbesneden zijn?  Je kunt dan volgeling van Jezus zijn, maar kan dát? Trouwens, moet wie zich bij jullie aansluit, niet eerst zelf jood worden, en besneden worden? Kunnen onbesnedenen eigenlijk wel deel hebben aan een geloofsgemeenschap rondom Jezus? Op die vraag zal een antwoord moeten komen. Het is een van de eerste grote uitdagingen van de christelijke geloofsgemeenschap. Lezen: Handelingen 15: 1-21

 

Preek:

Een giga probleem is het, waar de mensen in de eerste christelijke gemeenten voor zijn komen te staan. Er lijkt geen ontkomen aan. Vanaf het moment dat ze begrijpen dat wat Jezus heeft gezegd en gedaan, niet alleen betekenis heeft voor het joodse volk, maar voor alle mensen, maakt niet uit welk land of van welk ras. Jezus verbindt alle mensen met zijn boodschap van liefde en verzoening met elkaar en met God. Precies zoals we vorige week hebben gezien.

En wat dat tot gevolg heeft zien ze overal gebeuren. Mensen voelen zich aangesproken, sluiten zich aan. Nog geen 20 jaar na de kruisiging en de ervaringen van de opstanding van Jezus is er in een stad als Antiochië, het tegenwoordige Antakya in Turkije, op zo’n 400 kilometer afstand van Jeruzalem, al een grote christelijke geloofsgemeenschap. Aan de kust, pal boven het tegenwoordige Libanon en Syrië, toen deel van de Syrische provincie van het Romeinse rijk. Met een half miljoen inwoners de derde stad van het romeinse rijk, na Rome en Alexandrië. Er woonden veel joden daar, zeker 10 % van de bevolking. Maar met nog veel meer niet joden, ook onder de volgelingen van Jezus.

Er is geen ontkomen aan of die grote vraag begint zich aan te dienen: moeten mensen die zich bij Jezus aansluiten, eerst jood worden, en besneden worden? Kunnen onbesnedenen eigenlijk wel deel hebben aan de verbinding en verzoening van Jezus? De wet van Mozes is toch duidelijk en Jezus was toch ook jood, stelde zichzelf toch onder die wet. En moet volgens die wet niet ieder die deel wil hebben aan de verbinding met God, het verbond met de Eeuwige, zich laten besnijden?

 

Voor de meeste joden in Antiochië was het al gauw geen probleem meer. Zij waren gewend om om te gaan met niet joden. Maar voor joden die op bezoek kwamen daar, vanuit het voluit joodse, Jeruzalem, in Judea, voor hen is het verbijsterend, wat ze in Antiochië zien. Zij voelen zich heel ongemakkelijk bij en zeggen er wat van. Zie daar het conflict. Hoewel, een conflict, een botsing, wordt het hier niet genoemd, door Lukas. Dat is wel even anders in de brieven van Paulus. Paulus is daar veel scherper. Hij schrijft hoe het echt gebotst heeft tussen hem en Petrus, in zijn brief aan de Galaten, hoofdstuk 2. Maar Lukas, hoe goed hij Paulus ook kent, ze hebben heel wat afgereisd samen, Lukas is er milder over. Het woord dat hij gebruikt betekent niet conflict, niet botsing en strijd. Paulus gebruikt hier een grieks woordje dat van origine “zoeken” betekent, zoektocht. Zoals in het latijn het woordje “kwestie”, in het engels question. “Iets om te zoeken, uit te zoeken, te vragen.” Een punt van debat, zou je kunnen zeggen.

Lukas gebruikt dat woordje in de lezing vandaag wel vier keer. En wel direct, al in vers 2.

Want scherp of niet, Lukas móet de kwestie, the question, het conflict wel aan de orde stellen in dit boek Handelingen. Hij wil immers laten zien hoe het evangelie van Jezus vanuit de binnenlanden van Judea terecht komt in het centrum van de toenmalige wereld, Rome. Het verhaal van Jezus, dat in het Lukasevangelie begint in de onherbergzaamheid van een stal in Bethlehem en dat aan het eind van zijn tweede boek, het boek Handelingen, Rome bereikt. Met Lukas zelf, samen met Paulus, bij de christelijke gemeenschap die zich daar al gevormd had. Ook als gemeenschap van joden en niet joden bij elkaar.

 

Lukas moet het conflict, de kwestie wel aan de orde stellen van dat toetreden van niet joden. Met de vraag: doe je die niet joodse toetreders tekort, als je ze niet eerst besnijdt. En omgekeerd voor degenen die zelf besneden jood zijn: kun je als besneden jood wel omgaan met mensen die niet besneden zijn. Vooral dit: kun je wel met ze samen eten. Samen aan de maaltijd gaan. Kan dat. Of moet je je houden aan de joodse eetgewoonten. Als jood mag je toch niet aan tafel gaan met mensen die niet koosjer eten. Dat kan toch niet, dat mag je als jood toch niet! Het zijn echte, voor een jood diep insnijdende vragen. Alle ingrediënten voor een groot conflict zitten er in. Hoe gaan ze daar uitkomen?

 

In Antiochië beseffen ze dat er maar één ding te doen staat dat is: het gesprek daarover aan gaan. Erover praten met elkaar. Dus besluiten ze een afvaardiging naar Jeruzalem te sturen. Het is goed om je te realiseren hoe Lukas het hier precies opschrijft. Hij kan het weten, lijkt die gemeente daar goed te kennen, kwam er zelf waarschijnlijk vandaan. Ze vragen uitdrukkelijk aan Paulus en Barnabas, toen ze op hun reizen bij hen langs kwamen, om “namens hèn” deze kwestie in Jeruzalem aan de orde te stellen.

Wat er nu volgt is dan ook niet in de eerste plaats een “Bijeenkomst van apostelen”, van theologen, of van bisschoppen of zo. Wat nu volgt is een ontmoeting van aangewezen vertegenwoordigers van de ene geloofsgemeenschap, Antiochië ( Paulus dus, zelf geboren in Tarsis, honderd kilometer ten noorden van Antiochië en Barnabbas, een Jeruzalemmer, maar wel helemaal thuis in Antiochië), met de geloofsgemeenschap van Jeruzalem in wier midden ze worden verwelkomd, en van wie ook twee vertegenwoordigers het woord zullen nemen: Petrus, een de twaalf leerlingen, en Jacobus. Niet Jacobus die we kennen als leerling. Maar Jacobus, de broer van Jezus. Een jongere zoon dus van Maria en Jozef. Paulus schrijft in een van zijn brieven hoe Jakobus volgeling van Jezus is geworden na een eigen opstandingservaring met Jezus. Hij groeit uit tot steunpilaar daar van de geloofsgemeenschap in Jeruzalem. Met een sterke persoonlijkheid, en stevige, traditionele, joodse opvattingen.

 

Paulus en Barnabas, als vertegenwoordigers van de geloofsgemeenschap van Antiochië, in het midden van de geloofsgemeenschap in Jeruzalem. Een grote en belangrijke bijeenkomst over een groot en belangrijk vraagpunt, een grote kwestie, bron van conflicten. En nou moet je opletten: in de beschrijving die volgt, is dit misschien wel het belangrijkste woord: het woordje voor stilte, zwijgen. Natuurlijk, eerst is er de benoeming van wat er speelt. Een van huis uit farizese gelovige uit Jeruzalem zegt dat niet joodse gelovigen zich gewoon aan de wet van Mozes moeten houden en dus besneden moeten worden.

Helder. En natuurlijk ontstaat er direct een debat, een woordenstrijd. En begint iedereen er zich mee te bemoeien. Het gaat er heftig aan toe daar. Maar wat vervolgens opvalt is het zwijgen. Het wordt stil, schrijft Lukas. Niet zozeer stil omdat een paar mensen het woord nemen en anderen naar hen luisteren. Dat ook. Maar vooral: iedereen zwijgt, wordt stil, door en voor de dingen die er gezegd wórden.

 

Allereerst door Petrus. Met zijn visioen van de Eeuwige die aan alle mensen zijn Geest geeft en niemand daarvoor onrein acht. Als mij iets duidelijk is geworden dan is het dat, vertelt Petrus. Natuurlijk doelt hij daarmee op wat verteld wordt in hoofdstuk 10 van het boek Handelingen, en weet iedereen daar in Jeruzalem ervan, van die bijzondere ervaring van Petrus met de romeinse legeroverste Cornelius, die zich door hem liet dopen later. Alle aanwezigen zijn er weer van onder de indruk, en zwijgen, vertelt Lukas.

 

Dan krijgen Paulus en Barnabbas het woord. Zij vertellen over de dingen die hèn zijn overkomen. Tijdens hun reizen langs niet joden. Hoe mensen tot geloof zijn gekomen, en ze wonderlijke dingen met hen en zichzelf hebben zien gebeuren. Hoe overal nieuwe geloofsgemeenschappen zijn ontstaan. Hoe iedereen zich daarover verbaast en verheugt. Mensen er bij willen horen.

En als vierde Jakobus, de voluit joodse broer van Jezus. Die zich overigens niet daarop beroept, maar op de grote profeten uit de joodse traditie. Jeremia, Amos en Jesaja. Wat hier gebeurt, zegt hij, stemt met al die profetieën samen. Vormt er één “symfonie” mee, staat er letterlijk met een grieks woord. Luister hoe het een geheel is: wat deze profeten hebben gezegd. Profetieën over hoe alle mensen Gods toekomst zullen zoeken. Precies dat zien we nu gebeuren.

 

Dus, is zijn conclusie: laten we de kwestie oplossen door ruimte te maken voor onbesneden gelovigen. Laten we hen geen dingen opleggen die niet nodig zijn. Zolang ze zich maar niet laten verontreinigen door afgoden en dus geen geofferd vlees eten, niet deel hebben aan gewijde prostitutie en geen bloed tot zich nemen.

Al heel snel zien we mensen uit die tijd zich afvragen wat Jacobus hier allemaal bedoelt. Het heeft wat weg van bekende joodse reinheidsvoorschriften, maar ook weer niet helemaal. Paulus vat ze in zijn brieven in ieder geval zo niet op: wat hem betreft gaan joden en niet joden vrijuit met elkaar om, ook aan de maaltijd. Maakt niet uit wat er op tafel staat. Zolang je het maar doet met respect voor elkaar. In de geloofsgemeenschap van Jezus is iedereen gelijk.

Andere oude teksten vatten de regels die Jacobus hier formuleert vooral op als morele regels. Geen bloed tot je nemen wordt door hetzelfde als “niet doden”. Volgens zo’n oude tekst moet zelfs de zin worden toegevoegd:  “je niemand iets doet wat je ook niet wilt dat je zelf gedaan wordt”.

 

Maar dat is eigenlijk allemaal bijzaak. Waar het om gáát is dat met deze beslissing elke vorm van racisme en elke vorm van nationalisme wordt overwonnen. En daarmee komt op een prachtige manier die eerste grote kwestie, het eerst grote conflict in de vroeg christelijke geloofsgemeenschap tot een oplossing komt.  Indrukwekkend is het om te zien gebeuren. En tegelijk te beseffen: wat wordt hier een grote stap gezet. Een grote stap, die helemaal past bij het evangelie zoals Jezus dat altijd heeft verkondigd.

Mooi om te lezen hoe dat in vers 28 van dit hoofdstuk zo ook gezegd wordt, in de brief die de geloofsgemeenschap van Jeruzalem stuurt aan de geloofsgemeenschap in Antiochië: Ziehier ons besluit, onze uitkomst: wij geloven dat de Geest van de Eeuwige erin werkzaam is Let wel: het wordt niet door de Antiochiërs gezegd. Maar door de Jeruzalemmers. Zij zijn het die de grootste stap in heel deze kwestie hebben moeten zetten.

Voor Lukas, de griek, als Antiocheniër, is het een beslissend moment. Hij neemt er alle tijd voor het te vertellen, en geeft zo tegelijk een mooie inkijk in de manier waarop dat is gegaan. Eigenlijk een prachtig overzicht van conflictbeheersing in de kerk, in zeven punten

 

1.      Conflicten zijn soms onvermijdelijk. Een nieuwe situatie vraagt om nieuwe keuzes. En dat is lang niet altijd gemakkelijk.

2.      Een echte botsing hoeft het niet te worden als je er een kwestie van maakt, een vraagpunt, een punt van debat. Als je het, zoals wij zeggen, rationaliseert.

3.      Zoek elkaar erover op. Ga erover in gesprek met elkaar, zoek het overleg.

4.      Als het even kan: Laat het niet alleen over aan theologen, bisschoppen. Doe het vanuit heel de geloofsgemeenschap, samen.

 

5.      Begin niet met elkaar te overtuigen. Zwijgen, luisteren, waarnemen, daar gaat het om. Des te beter kun je luisteren naar elkaar.

6.      En ook als je het woord krijgt, als je spreekt. Ook dan gaat het om luisteren

      - Luister als Petrus naar hoe jij de Eeuwige, God zelf ervaart in je leven.

      - Luister als Paulus en Barnabas, naar waar je het vuur van zijn Geest kunt zien.

      - Luister als Jacobus, naar wat jij de Schrift, de Bijbel, het evangelie, hoort zeggen. 

7.      Hoe de uitkomst ook is, laat het zo zijn dat je kunt zeggen: Wij geloven dat de Geest van de Eeuwige hier in werkzaam is.

 

Je kunt het nog korter samenvatten:

1.      Maak het conflict bespreekbaar als kwestie (maak er een vraag van, zoals Lukas doet).

2.      Zoek (in alles wat je dan hoort en ziet en proeft, van en bij elkaar en jezelf) de Geest van de Eeuwige (als Petrus, Paulus en Barnabbas).

3.      Hoor, luister, naar de symfonie (de samenklank, van alles wat er is gezegd en gezien, en alles wat is meegegeven in de Schriften, als Jacobus).

 

Zo is Jacobus in staat zijn grote stap zetten. En kunnen wij, op onze eigen manier, onze stappen zetten. Waar wij, onze kinderen, de mensen in onze stad, ons nog jaren over kunnen verheugen!